L2-HGA:
Eerste DNA test voor Staffordshire Bull Terrier nu beschikbaar
Sinds kort is er een DNA test beschikbaar voor L2-HGA. Wat deze
stofwisselingsziekte inhoudt en hoe uw Staffordshire Bull Terrier
op deze ziekte kunt laten testen kunt u lezen in dit artikel, ook
wordt in dit artikel ingegaan, zij het heel basis, op wat is nu
DNA en wordt aangegeven op welke wijze L2-HGA vererft. Inmiddels
zijn de eerste Staffordshire Bull Terriers in Groot Brittannië
getest en de resultaten hiervan zijn nogal verontrustend, temeer
als men bedenkt dat daar een veel gebruikte dekreu als drager
"ontdekt" is, dat betekend overigens niet dat L2-HGA
maar in één bepaalde "familielijn" voorkomt, het kan
in elke "familielijn" voorkomen.
L2-HGA is de afkorting voor L2-Hydroxyglutaric aciduria. Omdat de
ziekteverschijnselen heel divers zijn werd en wordt deze afwijking
nogal met andere (meer bekende) ziekten verward. De
ziekteverschijnselen zijn o.a. epileptische aanvallen, coördinatieproblemen
(moeilijk lopen), stijfheid van de spieren bij opwinding of
beweging, rillen, ontypisch gedrag (staren naar muren, zich
verschuilen onder tafels en in hoeken, oncontroleerbaar,
onzindelijkheid). De eerste ziekteverschijnselen openbaren zich
meestal op een leeftijd tussen zes en twaalf maanden, maar er zijn
ook ziektegevallen bekend van Staffordshire Bull Terriers die 7
jaar oud waren toen de eerste verschijnselen zich openbaarden.
Naast o.a het testen van bloed en urine kan met een MRI scan ook
de diagnose
L2-HGA worden vastgesteld. Onderstaand ziet een tweetal
afbeeldingen van MRI scans, één van gezonde (normal/unaffected)
hersenen en één van hersenen die aangetast (affected) zijn door
L2-HGA.


Door
bovengenoemde testen kunnen Staffordshire Bull Terriers worden
opgespoord die de ziekte daadwerkelijk hebben maar daarnaast ook
de Staffordshire Bull Terriers die niet ziek zijn maar die het wel
kunnen doorgeven (de zogenaamde "dragers") aan hun
kinderen die op hun beurt er wel ziek van kunnen worden en omdat
te kunnen vaststellen is de DNA test van groot belang.
Door de DNA test kan worden vastgesteld welke Staffordshire Bull
Terriers dus lijders, dragers of vrij zijn van L2-HGA.
Deze DNA-test wordt uitgevoerd door het in Groot Brittannië
gevestigde Animal Health Trust. Uw dierenarts moet hiervoor wat
bloed afnemen en dat naar dit instituut toezenden, tezamen met
deze bloedtest moet een formulier ingevuld worden, dit formulier
kunt u via deze
link downloaden. Let er op dat het bloed verzonden
wordt in een zogenaamde EDTA buis (dit staat overigens ook op het
formulier). De uitslagen worden niet gepubliceerd en alleen bekend
gemaakt aan uw dierenarts en natuurlijk aan u als eigenaar. De
kosten hiervoor bedragen GBP 60,00 exclusief de kosten van
bloedafname en eventueel consult wat u uw dierenarts moet betalen.
DNA
en een beetje erfelijkheid!
Elk levend wezen is een fantastisch uniek bouwwerk. Kijken we naar
de mens dan is elk mens verschillend en toch lijken ze erg op
elkaar omdat het erfelijk materiaal van de ene mens weinig
verschilt van de andere. Soms volstaat een klein verschil om een
ziekte te doen ontstaan. En op deze wijze kunnen we ook naar
honden kijken en in het kader van dit artikel naar de
Staffordshire Bull Terrier en L2-HGA in het bijzonder. In een
aantal gevallen stelt de toepassing van de nieuwste technieken
onderzoekers in staat om kleine verschillen in erfelijk materiaal,
het DNA, aan te tonen. Onder een lichtmicroscoop kan men het DNA
in de kern van de witte bloedcellen in de vorm van chromosomen
zien. Elke lichaamscel bevat chromosomen, die twee aan twee gelijk
zijn, ze vormen een paar, een koppel. In totaal heeft elke
hondencel 39 chromosomenparen. Van elk paar is het ene chromosoom
van de moeder afkomstig en het andere van de vader.

Je kunt chromosomen vergelijken met een encyclopedie. De laatste
twee delen bepalen het geslacht, dus of reu of teef. In elk van
deze boekdelen kunnen we gigantische hoeveelheden zinnen lezen,
de ene wat korter de ander wat langer. Deze zinnen noemen we in
de biologie de genen. Deze zinnen (of genen) worden geschreven
met behulp van een code, dit is een alfabet dat bestaat uit vier
letters. De naam van dit alfabet is DNA (wat een afkorting is
voor het Engelse: DesoxyriboNucleidAcid). DNA is een chemische
stof die een beetje lijkt op een ladder in spiraalvorm. Elke
sport van die ladder bestaat uit een chemische verbinding van
twee stokjes. Die stokjes bestaan in vier soorten (de vier
letters van het alfabet): Adenine (A), Thymine (T), Cytosine (C)
en Guanine (G). Elk chromosoom, dus elk boekdeel, is in feite
een lange tekst geschreven met vier letter (A, T, C, en G). Elke
zin vormt een gen dat dus verantwoordelijk is voor een
eigenschap bijvoorbeeld, kleur haar, lengte, gewicht maar ook
afwijkingen. Via de chromosomen worden dus al deze eigenschappen
overgedragen. Bedenk dus dat een helft van de moeder komt en de
ander helft van de vader.
L2-HGA vererft autosomaal recessief
Autosomaal betekend dat zowel bij reuen als bij teven
L2-HGA kan voorkomen. Daarnaast zijn er dominante en recessieve
genen. Het dominante overheerst het recessieve gen, het
dominante gen duiden we aan met de grote letter A, het
ondergeschikte recessieve gen duiden we aan met een kleine
letter a.
Als een hond getest wordt op L2-HGA kunnen door de volgende
uitslagen naar voren komen:
- AA - vrij van L2-HGA - maar
zie onderstaand "verervingsschema"
- Aa - deze hond heeft de
ziekte zelf niet maar kan het wel doorgeven aan zijn
nakomelingen, deze honden noemen we ook wel
"dragers"
- aa - deze hond heeft
daadwerkelijk L2-HGA
Nu gaan we kijken wat er
gebeurt dat als we met deze honden gaan fokken
- AA x AA: alle nakomelingen
zijn vrij van L-2 HGA
- AA x Aa: 50% van de
nakomelingen zijn vrij van L2-HGA en 50% is drager
- Aa x Aa: 25% is vrij van
L2-HGA, 50% is drager en 25% is lijder
- AA x aa: alle nakomelingen
zijn dragers
- aa x aa: alle nakomelingen
zijn lijders
Korte samenvatting
- L2-HGA is een aandoening aan
het zenuwstelsel
- L2-HGA komt zowel bij reuen
als bij teven voor
- L2-HGA openbaart zich
meestal tussen de zesde en twaalfde maand
- L2-HGA is een ziekte die
zich verschillende wijzen manifesteert
- L2-HGA komt
hoogstwaarschijnlijk in de gehele populatie voor
- L2-HGA kan aan de hand van
een DNA-test worden vastgesteld
- L2-HGA vererft autosomaal
recessief
Voor meer inormatie verwijzen wij u door naar de website
van het AHT.
Met dank aan
Bianca Janssen-van Londen voor het samenstellen van dit artikel.
Demodex
Sarcoptes komt voor bij: honden (Sarcoptes scabiei) en wordt
zelden op de kat gezien. Ook wel jonge hondenschurft genoemd.
Deze mijt komt met name bij jonge honden voor en leeft in én op
de huid. Ze worden meestal al in het nest met deze mijt besmet.
Bij de mens kan de mijt rode vlekjes op armen en buik
veroorzaken (zoönose). Sarcoptes wordt vastgesteld d.m.v. de
afname van een diep huidafkrabsel.
Symptomen: veel jeuk, rode huid en huidontstekingen. De klachten
beginnen meestal aan de kop (oren!), poten en de onderkant van
de buik.

Demodex mijt
Demodex komt voor bij: honden (Demodex canis), en katten
(Demodex cati, zeer zeldzaam) Deze mijt komt waarschijnlijk op
elke honden-/kattenhuid voor, zonder enig probleem te
veroorzaken. Echter, als de afweer voor deze mijt ontbreekt dan
veroorzaakt hij zware klachten. Deze fout in de afweer is een
storing van de T-lymfocyten wat resulteert dat het huisdier geen
enkele afweer heeft tegen deze mijt. De rest van de afweer werkt
prima. Het vermoeden is dat deze fout erfelijk is. Zodoende moet
de fokker gewaarschuwd worden zodat hij niet verder fokt met de
teef of reu. Helaas nemen niet alle fokkers deze waarschuwing
ter harte! Met name bij de Bulldog-achtigen wordt deze mijt
helaas vaak vastgesteld. Deze mijt is niet besmettelijk voor de
mens. De besmetting met deze mijt vindt meestal al plaats in het
nest. Aangezien deze mijt het gevolg is van een aangeboren
afwijking van de afweer is deze mijt niet altijd goed te
bestrijden. De mijt leeft met name in de haarfollikels en wordt
d.m.v. een diep huidafkrabsel aangetoond. De mijt kan zich op 2
manieren uiten: 1e; de schilverige en (meestal) locale vorm.
Deze vorm jeukt meestal niet erg. De klachten beginnen meestal
met enkele plekjes aan de poten of de kop. Bij deze vorm is er
een genezingskans van 90%. Behandeling: verschillende keren
wassen met de mijtdodende shampoo Ectodex totdat de
huidafkrabsels negatief zijn. De resterende 10 % gaat over op de
2e vorm; de puistige en meestal gegeneraliseerde vorm. Deze vorm
jeukt erg en de hond/kat voelt zich beroert eronder. De klachten
beginnen meestal over het hele lichaam. Deze vorm heeft een
slechte prognose. Ondanks behandelingen treedt er vaak slechts
tijdelijke verbetering op. Behandeling: deze bestaat uit scheren
(alleen bij langharige honden/ katten).Vervolgens wassen met een
shampoo die de haarfollikels goed schoonmaakt. Daarna
verschillende keren wassen met de mijtdodende shampoo Ectodex
totdat de huidafkrabsels negatief zijn. Bij hardnekkige gevallen
kunnen zogenaamde T-cel stimulerende medicijnen behulpzaam zijn.
De aanwezige huidontstekingen worden met een speciale
antibioticum kuur behandeld.
OCD
of te wel elleboogdysplasie
Dit is een verzamelnaam voor erfelijke elleboogproblemen op
basis van osteochondrose.
Wat is
osteochondrose
Dit is een verstoring van de omvorming van kraakbeen in bot.
Hierdoor ontstaat een te dikke laag kraakbeen, waardoor er door
slechte voeding en overbelasting van dit kraakbeen scheuren kunnen
ontstaan. Deze scheuren kunnen doorgaan, waardoor er losse stukjes
in het gewricht kunnen komen. Hierdoor kan het gewricht geďrriteerd
raken, met als gevolg kreupelheid en overvulling van dat gewricht.
Welke 3
botten vormen het ellebooggewricht
Aan de kant van de schouder zit het opperarmbeen, dat door middel
van het ellebooggewricht is verbonden met zowel het spaakbeen als
de ellepijp.
Waar
zitten de problemen
In het gewricht aan beide uiteinden van de gewrichtsvlakte van de
ellepijp en aan de binnenkant van de gewrichtsvlakte van het
opperarmbeen.
Bij welke
rassen komt het voor
Vooral bij de grote rassen, zoals Duitse Herders, Retrievers,
Bassets, Sint Bernards, Berner Sennen, Rottweilers en Collies
"kortsnuitige"rassen, zoals de bulldog.
Op welke
leeftijd komt het voor
Een kreupelheid of stijfheid van een of beide voorpoten kan zich
op 5-8 maanden leeftijd voordoen. NB Het is belangrijk dat
kreupelheid van jongen honden, met name van bovengenoemde rassen,
goed wordt onderzocht, zelfs als de kreupelheid "snel"
weer over is. Als de elleboogdysplasie op jonge leeftijd gemist
wordt, kan het op oudere leeftijd (bijv. rond de 2 ˝ jaar) zeer
ernstige artrose en kreupelheid geven.
Onderzoek bestaat
uit beoordeling van:
- de mate van kreupelheid,
- de gewrichtsovervulling,
- de manier van lopen, bijv.
de poot schuin naar voren zetten,
- pijnlijkheid bij passief
bewegen en overstrekken van de elleboog,
- röntgenfoto's, ook van de
andere elleboog, omdat elleboogdysplasie vaak aan beide
zijden voorkomt.
Behandeling
Operatieve verwijdering van losse fragmenten en glad maken van de
kraakbeenranden, op de plaats waar de stukken zijn afgebroken.
Hiermee wordt ernstige artrose (=botwoekering) en dus ernstige
kreupelheid op later leeftijd voorkomen.
NB. Het is
meestal niet zo dat de kreupelheid helemaal verdwijnt, maar wel
duidelijk vermindert en door de operatie wordt verergering op
later leeftijd voorkomen.
Fokbeleid
Afgezien van kreupelheid bij de individuele hond is er sprake van
een erfelijke aandoening. Dat wil zeggen dat we, binnen de
verschillende rassen, de honden moeten proberen op te sporen die
de afwijking door zouden kunnen geven aan hun nakomelingen. Deze
dieren mogen niet voor de fokkerij worden gebruikt.
Officieel
elleboogdysplasie onderzoek
Vergelijkbaar met het officiële HD-onderzoek voor de heupen is er
voor bepaalde rassen een ED-onderzoek om erfelijke
elleboogproblemen op te sporen. Hierbij worden de röntgenfoto's
door bepaalde dierenartsen gemaakt en opgestuurd naar een speciale
commissie, die de foto's beoordeelt. Deze röntgenfoto's dienen
van erg goede kwaliteit te zijn om een betrouwbare beoordeling
mogelijk te maken.
Zijn
heupdysplasie en elleboogdysplasie erfelijk?
Prof. Dr. H.A.W. Hazewinkel
Faculteit der Diergeneeskunde, Vakgroep Geneeskunde van
Gezelschapsdieren, Universiteit Utrecht.
Inleiding
In de veterinaire praktijk vallen heupdysplasie (HD) en
elleboogdysplasie (ED) onder de meest voorkomende orthopedische
afwijkingen. Beide komen vooral voor bij middelgrote en grote
honden, beide zijn ontwikkelingsstoornissen, en beide zijn voor de
patiënt vaak een bron van veel pijn en ongemak. Daar komt nog bij
dat, niettegenstaande de inzet van individuele fokkers en
rasverenigingen, HD en ED onverwachts de kop kunnen opsteken bij
een of meer honden terwijl nestgenoten van diezelfde honden géén
klinische tekenen van kreupelheid tonen. Alvorens in te gaan op de
vraag die in de titel van deze bijdrage wordt gesteld - zijn HD en
ED erfelijk? - geef ik eerst wat achtergrondinformatie over deze
aandoeningen.
Ontwikkeling
van heup- en ellebooggewricht
Het skelet van een hondenembryo is aanvankelijk een structuur van
kraakbeen. Kraakbeen is zacht weefsel dat groeit door
celvermenigvuldiging en door vergroting van de individuele
kraakbeencellen. Dit is vergelijkbaar met het meeste andere
weefsel in het lichaam, maar anders dan botweefsel.
Botweefsel heeft
een vaste structuur en bevat botcellen die zich niet kunnen delen
en die niet kunnen groeien. Tegen de tijd dat de pup wordt
geboren, wordt het kraakbeen in het midden en in de uiteinden van
lange beenderen vervangen door bot. Alleen tussen deze benige
centra en aan het einde van het bot blijft kraakbeen aanwezig, dat
in dit stadium groeischijfkraakbeen wordt genoemd omdat het ervoor
zorgt dat het skelet na de geboorte nog kan groeien. Het kraakbeen
van de groeischijven tussen de benige delen zorgt ervoor dat de
lange botten in de lengte groeien. Het kraakbeen dat de
botuiteinden van gewrichten bedekt zorgt voor de groei in diameter
van dat deel van het skelet. Het proces van kraakbeengroei wordt
gevolgd door transformatie van het kraakbeen naar het veel hardere
botweefsel. Wanneer dit verbeningsproces is voltooid en alle
groeischijven zijn vervangen door bot, groeit het skelet niet
meer: het dier is volgroeid. Maar dit betekent niet dat het
verbeende skelet niet meer verandert van vorm en samenstelling.
Bot wordt afgebroken door speciaal daarvoor toegeruste cellen en
wordt waar nodig vervangen door andere cellen. Botmodelleren
begint al in de jeugd en gaat door bij volwassen dieren.
De groeicurve van
opgroeiende honden van grote rassen verloopt steiler dan die van
jonge honden van kleine rassen, vooral tussen de eerste drie en
zes levensmaanden. Met andere woorden, de groei van pups van grote
rassen gaat samen met een snellere groei in kilo's lichaamsgewicht
en in centimeters botlengte per week. Verschillen in groeisnelheid
worden ook veroorzaakt door individuele variatie in hormonen
(mannelijke versus vrouwelijke hormonen) en in
milieuomstandigheden. Onder die laatste vallen ook de kwaliteit en
de hoeveelheid van de dagelijkse voeding. Deze factoren beďnvloeden
niet alleen de groei van kraakbeen maar ook de botvernieuwing. Het
heupgewricht bestaat uit de heupkom (het acetabulum) en de heupkop
(caput femoris) op een hals. Bij de opgroeiende hond bestaat de
heupkom uit vier kleine botdelen, met kraakbeenzones daartussen,
zodat de doorsnede van de kom groter kan worden en zich kan
aanpassen aan de groei van de kop. De kop groeit via het proces
van kraakbeengroei en verbening tot bot. Tijdens de groei
verandert de hals, waarbij de contacthoek tussen kom en kop
aangepast wordt. Kop en kom worden bijeen gehouden door een kleine
gewrichtsband, het kapsel van de gewrichtsholte en de spieren rond
het heupgewricht. Een goede aansluiting en pasvorm zorgen dat kom
en kop zich harmonieus kunnen ontwikkelen. Als de kop niet, of
niet goed, in de kom zit, wordt de kom onvoldoende diep. Als de
kraakbeengroei van de kop wordt belemmerd, dan blijft die te klein
of ‘onvolwassen' (en daarom kwetsbaar). Wordt de skeletomvorming
belemmerd, dan is de richting van de hals niet aangepast aanhet
groeiende skelet.
Het
ellebooggewricht wordt gevormd door drie beenderen: de bovenarm (humerus)
en de bijeenhorende botten in de onderarm,het spaakbeen (radius)
en de ellepijp (ulna). Deze drie beenderen passen perfect in
elkaar, zodat de elleboog kan strekken en buigen. Verder kan de
onderarm in zekere
mate draaien
(schroevendraaierbeweging), wat vooral een beweging is tussen
spaakbeen en ellepijp. De ellepijp heeft twee belangrijke
uitsteeksels: (1) het processus anconeus, dat van belang is bij
het strekken van het gewricht, en (2) het processus coronoďdeus,
dat van belang is bij de draaiende beweging van ellepijp rond
spaakbeen. Zoals alle skeletonderdelen zijn het processus anconeus
en het processus oronoideus aanvankelijk van kraakbeen; tijdens de
groei wordt dit vervangen door benig weefsel. Dit verbeningsproces
is met 5 tot 7 maanden zo goed als voltooid. Als de lengtegroei
van spaakbeen of ellepijp wordt belemmerd, kan de kom die deze
twee beenderen samen vormen onvoldoende aansluiten op de vorm van
de kop van de bovenarm; het resultaat is een incongruentie met het
gewrichtsvlak van de humerus.
Als er abnormale schuifkrachten worden uitgeoefend op het
processus anconeus of het processus coronoďdeus, kunnen deze
afbreken. De ontwikkeling van kraakbeen ter afdekking van het
benige deel van het processus coronoďdeus of op het gewrichtsvlak
van de humerus kan verstoord worden, hetgeen tot plaatselijke
verdikking kan leiden. Zo'n kwetsbaar stukje kraakbeen kan
afbreken; het gevolg is een gefragmenteerd processus coronoideus
of een los flapje kraakbeen.
Door een stoornis in de normale ontwikkeling van heupkom en -kop
en een slechte aansluiting van deze beenderen zullen delen van
het kraakbeenomhulsel overbelast raken. Dit veroorzaakt
vervorming van het kraakbeen en uiteindelijk misvorming van het
gewricht. Bovendien zal de instabiliteit van het gewricht leiden
tot een stoornis van het kraakbeen en gewrichtsontsteking,
hetgeen pijnlijk is. De kop zal uiteindelijk niet langer diep in
de kom passen waardoor het heupgewricht misvormd (dysplastisch)
wordt. De gewrichtsontsteking wordt chronisch (osteoarthrose),
hetgeen leidt tot beperkte bewegingsmogelijkheid van de
heupgewrichten en tot pijn tijdens en vooral na activiteit. Bij
osteoarthrose groeit nieuw bot (osteophyten) aan de randen van
het gewricht, rond de kom en op de hals. Deze osteophyten
woekeren alle kanten op, de groeisnelheid is afhankelijk van de
ernst van de osteoarthrose. Bij jonge honden van 4 tot 12
maanden is pijn de meest opvallende klinische indicatie van HD:
pijn tijdens het staan (de hond gaat snel weer zitten), pijn
tijdens het lopen (de hond weigert te lopen, loopt met zwaaiende
heupen), en pijn bij springen of klimmen.

L: normale heupen R: Heupdysplasie
Een slechte of goede aansluiting van kop en kom kan worden
aangetoond met speciale klinische of radiologische technieken.
Met röntgenfoto's kan de aansluiting van kop en kom objectief
worden gekwantificeerd door bepaling van de Norbergwaarde en
botwoekeringen kunnen met speciale radiologische beelden
zichtbaar worden gemaakt. Bij oudere honden gaat het vooral om
pijn na te zware inspanning, en niet zozeer om niet graag te
willen of kunnen staan, lopen, springen of klimmen. Bij jonge
honden met HD-klachten kan een slechte aansluiting van kop en
kom operatief gecorrigeerd worden. Bij volwassen honden kan een
kunstmatig gewricht ingebracht worden. Niet-operatieve
behandelingen zijn aangepaste lichaamsbeweging,
gewichtsbeperking en medicatie.
Elleboogdysplasie (ED)
De term "elleboogdysplasie" (ED) omvat een aantal
onderling onafhankelijke afwijkingen die alle in het
ellebooggewricht optredenen vooral voorkomen bij jonge honden
van grotere rassen. Deze afwijkingen veroorzaken pijn en leiden
uiteindelijk tot invaliderende osteoarthrose van het aangetaste
gewricht. De
meest frequent voorkomende diagnoses van stoornissen die onder ED
vallen, zijn: (1) een losgeraakt processus aconeus (los processus
anconeus = LPA); (2) een losgeraakt of afgebroken processus coronoďdeus
(LPC); (3) een los stukje gewrichtskraakbeen afkomstig van de
humerus
(osteochondrosis
dissecans, OCD); (4) twee verschillende vormen van
gewrichtsincongruentie met gestoorde groei van de radius of de
ulna (dat wil zeggen, de kom sluit niet perfect aan op het
gewrichtsvlak van de humerus). De losse stukjes bot of kraakbeen
in het geval van LPA, LPC of OCD
irriteren het
gewricht en veroorzaken pijn, gewrichtsontsteking en uiteindelijk
osteoarthrose. Elleboog Incongruentie (EI) veroorzaakt
schuifkrachten op en mogelijke losraking van het processus
anconeus of coronoďdeus, met als gevolg LPA of LPC. EI
veroorzaakt ook te zware belasting van een kleiner draagvlak van
het gewricht, waardoor het kraakbeen wordt aangetast met als
gevolg pijnlijke gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose.
Een hond met één
aangetaste elleboog zal ergens tussen 4 en 6 maanden beginnen te
kreupelen. Als beide ellebogen door ED zijn aangetast, dan zullen
de enige indicaties waarschijnlijk een korte paslengte en een
tegenzin om te rennen en te spelen zijn. Bij klinisch onderzoek
kan men een licht gekraak horen of voelen als het gewricht wordt
bewogen. LPA, OCD en EI kunnen zichtbaar gemaakt worden op drie
verschillende radiologische opnamerichtingen. LPC is in de
beginfase moeilijk te zien en wordt pas duidelijker zichtbaar als
zich tekenen van osteoarthrose ontwikkelen. Operatieve
verwijdering van irriterende losse fragmenten (LPA, LPC, OCD) of
operatief vastzetten van het LPA, en chirurgische correctie van
incongruentie zijn geďndiceerd in de meeste gevallen van milde
osteoarthrose. Bij ernstige osteoarthrose van het ellebooggewricht
is de prognose voor volledig herstel matig tot slecht.
Niet-operatieve behandeling van osteoarthrose omvat verminderde
dagelijkse inspanning, beperking van lichaamsgewicht en medicatie
om kraakbeengroei te bevorderen, gewrichtsontsteking te remmen en
pijn te verminderen.

L: normale elleboog R: elleboogdyplasie
Invloeden van het milieu op HD en ED
Dr. Kealy verrichtte een heel interessant onderzoek met 20
Labrador-paren. [1] Per paar ging het om 2 nestgenoten van
hetzelfdegeslacht, die samen in één kennel waren gehuisvest. Eén
van de twee mocht zoveel eten als hij/zij wilde, terwijl de ander
2/3 vandie hoeveelheid kreeg. Met regelmatige tussenpozen werden
alle honden gewogen en geröntgend. De honden die onbeperkt
mochten eten bereikten een gemiddeld lichaamsgewicht van 32 kg,
hun nestgenoten die de beperkte hoeveelheid voedsel
kregenbereikten een gemiddeld gewicht van 23 kg, terwijl alle
honden dezelfde beenlengte
hadden. De
losheid van de heupen (uitgedrukt met de Norbergwaarde) en de mate
van osteophytenvorming (osteoarthrose) wasbij de ongelimiteerd
gevoerde honden groter dan bij de beperkt gevoerde honden. Voor
Duitse Doggen grootgebracht op voer met veel mineralen, vitaminen
en energie toonde dr. Hedhammar aan dat bij onbeperkt gevoerde
honden het modelleren van kop en hals van dijbeen achterbleef
vergeleken me55t beperkt gevoerde nestgenoten, waardoor de kop
slechter in de kom past. [2] Dr. Kasström toonde voor nesten van
Duitse Herders, Golden Retrievers en
Labrador
Retrievers aan dat onbeperkte voeding leidde tot frequentere en
zwaardere HD dan gevonden werd bij beperkt gevoerde nestgenoten.
De uiteindelijke heupscore had meer te maken met voeding en
gewichtstoename dan met losheid van het gewricht bij de jonge
hond. [3] In Utrecht werd aangetoond dat bij Duitse Doggen
grootgebracht op voer met een hoog calciumgehalte, de
kraakbeenkernen in de elleboog op latere leeftijd verbeenden dan
het geval was bij honden die opgroeiden met een gebalanceerd voer
met een lager calciumgehalte. [4] Ook afwijkingen in de
lengtegroei van het
spaakbeen en de
ellepijp, waardoor EI ontstaat, werden vaker gevonden bij Duitse
Doggen die te veel calcium kregen. Tevens werden stoornissen in
kraakbeentransformatie (OCD) vaker geconstateerd bij Duitse Doggen
die opgroeiden met een calciumrijk voer dan bij nestgenoten met
een gebalanceerd dieet. [5] Bij honden van kleine rassen
veroorzaakte een hoge mineraalopname niet de skeletstoornissen die
we bij de grote rassen zien. [6] Ook voeding met een hoog
vitamine-D-gehalte kan leiden tot symptomen van OCD en/of
verstoorde groei van spaakbeen of ellepijp. Onderzoek van Nap c.s.
toonde aan dat voedsel met een hoog eiwitgehalte, zoals puppyvoer
van goede kwaliteit, géén negatieve invloed heeft op de
skeletontwikkeling. [7] Samengevat: snelgroeiende honden kunnen HD
en/of ED ontwikkelen wanneer ze worden grootgebracht op een
mineralen- of vitaminenrijke voeding, of zelfs als ze een
overdadige hoeveelheid gebalanceerd voer krijgen, terwijl ras- en
zelfs nestgenoten die met correcte voeding.worden grootgebracht géén
HD of ED krijgen. Hondenvoer met de optimale hoeveelheid
mineralen, vitaminen, eiwitten en koolhydraten schept de basis
voor een normale kraakbeenontwikkeling, voor verbening van het
kraakbeen, en voor definitief modelleren van de beenderen. In
vroeger tijden, toen er nog geen puppyvoer beschikbaar was met een
lage mineraal- en energiebalans, adviseerden dierenartsen om
puppies een voer voor volwassen honden te geven, om zo de opname
van mineralen, vitaminen en energiete beperken. Maar de lagere
energiewaarde van het voedsel dwong de pup om meer grammen van dat
'volwassen' voer te eten. Daardoor kwam ook de dagelijkse opname
van mineralen en vitaminen boven de optimale hoeveelheid uit,
waardoor skeletstoornissen zoals HD en ED onopzettelijk
gestimuleerd werden. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat honden
van reuzenrassen die grootgebracht worden op een gebalanceerd
puppydieet met maximaal 0,8 tot 1% calcium (% van droge stof)
zowel een versneld proces van botvernieuwing kennen als een
niet-verstoorde kraakbeengroei en verbening van het kraakbeen. In
combinatie met een verminderde energieopname schept dit puppyvoer
de optimale omstandigheden voor een ongestoorde
skeletontwikkeling.
HD en ED
zijn dus geen erfelijke afwijkingen?
We hebben gezien dat voeding een belangrijke invloed heeft op de
mate waarin HD en ED optreden. Dit geldt vooral voor jonge honden
van grote rassen, die sneller groeien dan de pups van kleine
rassen. Uit onderzoeken van Nap c.s. onder dwergpoedelsbleek dat
een teveel aan mineralen slechts milde, klinisch niet-relevante
gevolgen had voor de skeletontwikkeling bij deze kleinetot
middelgrote honden.
Dr. Ubbink en
anderen toonden aan dat bij de Nederlandse Labradorpopulatie ED
wordt aangetroffen in bepaalde verwante subpopulaties. Daarnaast
toonde Ubbink aan dat LPC en OCD voornamelijk in verschillende
subpopulaties optreden, en slechts zelden tegelijk in dezelfde
subpopulatie worden gevonden. [8] In een onderzoek onder Berner
Sennenhonden met röntgenologisch gediagnosticeerde ED (met name
LPC met EI) bleek dat deze honden dezelfde levensstijl,
huisvesting en voedingsregimes hadden als een vergelijkbare groep
Berner Sennenhonden met ED-vrije ellebooggewrichten op röntgenfoto's.
Deze studies lijken aan te geven dat de ontwikkeling van ED
onafhankelijk is van voeding, levensstijl of huisvesting.
Populatieanalyse gaf aan dat HD en ED een lage erfelijkheidsgraad
(h˛) hebben, die voor verschillende onderzochte rassen onder min
of meer uniforme milieuomstandigheden varieert van 0,2 tot 0,6
voor HD, en van 0,24 tot 0,55 voor ED. [9] Met andere woorden:
zowel HD als ED vereist een sterke invloed van het milieu om
duidelijk tot uiting te komen.
Als we de
resultaten van bovenstaande studies combineren, kan geconcludeerd
worden dat HD en ED optreden bij honden vanbepaalde rassen en dat
deze afwijkingen zich zullen ontwikkelen onder bepaalde
milieuomstandigheden. Naar de invloedvanvoeding - één van die
omstandigheden - is veel
onderzoek gedaan.
Theoretisch zou het mogelijk zijn honden van kwetsbare rassen op
te laten groeien onder milieuomstandigheden die het tot uiting
komen van HD en ED bevorderen, om zo de genotypische lijders te
vinden. We zullen echter meer geneigd zijn om jonge honden van HD-
en ED-gevoelige rassen groot te brengen met een optimale kwaliteit
en kwantiteit van voeding, en met beperkte beweging, om niet het
risico te lopen dat we de ontwikkeling van skeletstoornissen
stimuleren. Het gevolg daarvan is dat de genotypen van HD en ED
onopgemerkt blijven in de populatie,en pas naar voren komen in een
volgende generatie, als nakomelingen van fenotypisch vrije honden
onder minder gunstige omstandigheden worden grootgebracht. Om te
voorkomen de genen voor HD en ED in de populatie verspreid raken,
dienen de fokdieren nauwgezet op HD en ED onderzocht te worden,
met de meest moderne technieken. Voor de fokkerij moeten honden
met onaangetaste gewrichten of met de minst ernstige gradatie van
de stoornis worden ingezet.
Onderzoek van
volledige nesten van Labrador Retrievers toonde aan dat uit
fenotypisch gezonde ouders honden met ED wordengeboren. [10] Uit
analyse bleek dat het gen voor LPC in dit ras hoogstwaarschijnlijk
dominant met variabele expressie is: vooralbijreuen correspondeert
het genotype met het fenotype, terwijl bij de teven het gen voor
LPC verborgen kan blijven. Deze wijzevanvererving is een tweede
oorzaak voor onverwacht her-optreden van een skeletafwijking in
een volgende generatie. Onderzoek bijhonden met HD heeft
aangetoond dat dit wellicht een polygenetische stoornis is,
waarbij meerdere afwijkende genen moeten samenkomen om de HD tot
uiting te brengen in eenaangetaste hond. [11] Aanvullend op het
onderzoek van individuele fokdieren, zal nakomelingen- en
familieonderzoek helpen om inzicht te krijgen in de genotypen van
het fokmateriaal. Er zijn aanwijzingen, op basis van recent
moleculair-biologisch onderzoek, dat zowel HD als ED "major
gene" fenomenen zijn, dat wil zeggen dat één of meer genen
een hoofdrol spelen bij het optreden van deze afwijkingen. Het is
de verantwoordelijkheid van de internationale kennelclubs om
onderzoek te stimuleren en te ondersteunen om deze genen te
lokaliseren, om zo de dragers, die de afwijkende genen aan de
volgende generatie doorgeven, te kunnen opsporen. Het zal nog
enige hondengeneraties duren alvorens DNA-onderzoek voor HD of ED
realiteit is. Daarom is het nu tijd dat de internationale
kennelclubs tot een uniform systeem van beoordeling en registratie
komen en bekendmaken op welke methode hun beoordelingis gebaseerd,
zodat fokkers in binnen- en buitenland inzicht krijgen in de
status van heup- enellebooggewrichten. Op dit momenthebben we te
maken met een gevaarlijke paradox: honden uit landen met de meest
gevoelige beoordelingsmethode voor HD en ED kunnen lager scoren en
het daardoor op de internationale markt verliezen van honden die
getest zijn met behulp van onderzoeksmethoden die volgens de
moderne veterinaire inzichten niet meer acceptabel zijn.
Samenvatting
HD en ED zijn beide stoornissen in de ontwikkeling van het
snelgroeiende skelet, die samengaan met veel lijden voor de
aangetaste honden en hun eigenaars. In risicorassen treden HD en
ED veelvuldiger en in ernstiger mate op bij honden die worden
grootgebracht op voer met een hoog vitamine- of mineralengehalte,
op voer verrijkt met mineraal- of vitaminesupplementen, of wanneer
het voedselaanbod onbeperkt is. Anderzijds kan een verlaagde
inname van calcium (optimaal is 0,8-1,0% Ca/droge stof) en
beperkte energieopname het optreden van HD en ED onderdrukken. De
wijze van vererving, de lage erfelijkheidsgraad en de grote
invloed van milieuomstandigheden (vooral dagelijkse voeding) op
het optreden van HD en ED in genotypisch aangetaste dieren kunnen
de redenen zijn dat fokdieren waarvan werd aangenomen dat zij vrij
waren van HD en ED toch lijders onder hun nakomelingen hebben.
DNA-testen dienen het toekomstige doel voor internationale
kennelclubs en rasvereniging en te zijn. Nauwgezet en consequent
testen van fokdieren en hun naaste verwanten, en heldere
internationale certificering van heup en elleboogstatus zijn de
belangrijkste punten voor de hedendaagse kynologie om verspreiding
van de genen gerelateerd aan HD en ED binnen de risicorassen, en
daarmee het optreden van deze invaliderende stoornissen, tegen te
gaan.
Patella
luxatie
Patella is de
officiële naam voor de knieschijf. Een patella luxatie betekent
dus een verschoven knieschijf. Er zijn verschillende vormen van
luxaties. De meest voorkomende is de luxatie naar mediaal, d.w.z.
naar de binnenzijde. We zien dit vaak bij honden van de kleine
rassen. De luxatie naar lateraal, waarbij de knieschijf aan de
buitenzijde voelbaar is zien we soms bij de grote rassen, vaak in
combinatie met een draaiing van het dijbeen. Deze laatste vorm is
zeldzaam. Hierna zullen we het daarom alleen hebben over de
luxatie naar mediaal.

Oorzaak
Het kniegewricht is de verbinding tussen dijbeen en scheenbeen.
Aan de voorzijde onderaan het dijbeen loopt een sleuf waar de
knieschijf doorheen glijdt. Aan boven en onderzijde van de
knieschijf zit de kniepees die op haar beurt weer vastzit aan een
beenkam bovenaan, voorop het scheenbeen.Bij sommige honden is de
sleuf in het dijbeen te ondiep en zit de aanhechting van de
kniepees wat te ver naar binnen. De knieschijf kan dan gemakkelijk
uit z'n sleuf naar binnen schieten (afglijden). Als dit gebeurt
spreken we van een patella luxatie.
Voorkomen
De patella luxatie naar binnen (mediaal) is vooral een probleem
bij de kleinere hondenrassen zoals terriërs, dwergpoedels,
chihuahua's, papillons en andere kleine honden. Het komt echter
ook af en toe voor bij de grotere rassen.
Diagnose
De klachten van de hond hangen af van de ernst van de luxatie. We
kennen verschillende vormen; Als de knieschijf er slechts af en
toe afschiet, spreken we van een habituele patella subluxatie.
Honden die dit hebben, lopen af en toe een paar passen met een
poot opgetrokken. De knieschijf is alleen op dat moment van zijn
plaats geschoven. Na een paar stappen schiet hij weer terug en de
hond loopt normaal verder. Wanneer de knieschijf er vaker afligt
en slechts af en toe terugspringt, spreken we van een stationaire
(sub)luxatie. Deze honden hebben problemen met overeind komen en
lopen. Ze gaan met hun achterpoten met O-beentjes (een soort
kikkerpas) lopen. De hond heeft bier zelf behoorlijk last van. De
ergste vorm is wanneer de knieschijf er totaal afligt en ook niet
meer op z!n plaats is terug te leggen. Deze dieren kunnen niet
normaal staan en moeten als het ware roeien met hun achterpoten om
vooruit te komen. Soms lopen ze alleen op hun voorpoten!! Bij
onderzoek moet niet alleen naar de ligging van de knieschijf
gekeken worden maar ook naar de stand van het dijbeen. Verder zijn
de kromming van de beenkam op het scheenbeen en de diepte van de
sleuf in het dijbeen van belang. Ook zien we in combinatie met een
patella luxatie nog wel eens andere knieproblemen zoals gescheurde
kruisbanden of extra gewrichtsslijtage.
Behandeling
Dieren met een patella subluxatie, waarbij de knieschijf maar heel
af en toe luxeert hoeven niet perse geopereerd te worden. Als de
knieschijf vaker van zijn plaats schiet, of zelfs permanent
verkeerd ligt moet er worden ingegrepen. De enige manier is
operatief. Bij een subluxatie is het vaak voldoende om de
aanhechting van de kniepees een stukje te verplaatsen. Dit gebeurt
door de beenkam bovenaan bet scheenbeen los te maken en op de
correcte plaats weer vast te zetten. Als ook de sleuf in het
dijbeen (knie) te ondiep is moet deze worden uitgediept. Vroeger
gebeurde dit door in het dijbeen een nieuwe sleuf te frezen.
Nadeel hiervan was dat het gewrichtskraakbeen onherstelbaar
beschadigd werd. Daarom kiezen we nu liever veer technieken
waarbij dit kraakbeen zoveel mogelijk gespaard blijft. Hiernaast
wordt het gewrichtskapsel strakker aangetrokken zodat de
knieschijf beter op z 'n plaats blijft liggen. De behandeling van
dit knieprobleem verschilt dus van geval tot geval en is
afhankelijk van de ernst van de aandoening.
Erfelijkheid
De aandoening is erfelijk. Het is daarom raadzaam niet te fokken
met dieren met een duidelijke luxatie. De precieze wijze van
overerving is niet bekend, maar zal waarschijnlijk op meerdere
factoren berusten, net zoals b.v. bij heupdysplasie.
Preventie
Afgezien van een gericht fokprogramma is er geen manier om
luxaties te voorkomen. Traplopen, springen en dergelijke hebben
geen directe invloed op het ontstaan van een luxatie.
Problemen
met de knieschijf
Tijdens een wandeling tilt de hond zijn achterpoot op en hinkt en
loopt even later weer normaal. Dit herhaalt zich de volgende dag
weer en de kans is groot dat dit probleem zich blijft herhalen en
duidt dit vermoedelijk op een losse knieschijf of teweten Patella
Luxatie. De losse knieschijf kan bij alle rassen voorkomen.
Bij de meeste
honden is het een aangeboren afwijking, maar niet altijd erfelijk
bepaald. Ook honden die zijn aangereden of te zwaar zijn, of te
veel rennen, springen of een onverwachte beweging maken kunnen er
last van krijgen. Wat er gebeurt is dat de knieschijf van zijn
plaats schiet en links of rechts naast het gewricht belandt, dit
geeft een knappend geluid. Door de verandering van de knieschijf
komen ook de spieren anders te liggen, met het gevolg dat de hond
automatisch de achterpoot buigt.
Bij sommige honden schiet de los geraakte knieschijf er 1 x per
maand uit en bij anderen ligt hij er continue naast, buiten dat
dit heel erg pijnlijk is, veroorzaakt het ook een ongecontroleerde
beweging. Het is niet zo dat de hond alleen maar iets voelt als de
knieschijf er uit schiet, hij heeft voortdurend last van een nare
zeurende pijn die niet verdwijnt. Als de hond dus de indruk wekt
problemen te hebben met een van zijn knieschijven, doet u er
verstandig aan om naar de dierenarts te gaan, die kan bepalen of
een operatie noodzakelijk is. Dit houdt in dat de knieschijf beter
in het gewricht wordt geplaatst.
Hoe hangt af van de situatie, de dierenarts kan de pezen aan het
gewricht hechten, maar kan ook de gleuf in het gewricht uitdiepen
zodat de knieschijf er niet meer uitschiet. Hoe sneller de hond op
de behandeltafel ligt, hoe minder ingrijpend de operatie zal zijn
en hoe minder het gewricht is aangetast, hoe eerder de hond weer
op de been is.
Erfelijke aandoeningen zijn alleen maar te voorkomen door
aanpassing van het fokbeleid. Het is onverstandig om een hond met
aanleg voor Patella Luxatie te laten rennen en draven. Het is dus
beter om een jonge hond het eerste halfjaar liever zes keer per
dag 10 minuten te laten lopen als twee keer een half uur. Dit
betekent nu ook weer niet dat de hond voortdurend geremd moet
worden en niets meer mag en steeds naast je moet lopen. Natuurlijk
mag hij best een keer draven. Waar het om gaat is dat de jonge
hond niet steeds achter ballen aan rent en hoge sprongen maakt.
Ook onverwachtse draaiende bewegingen kunnen funest zijn voor het
kwetsbare kniegewricht. Dus laat een jonge hond alles met mate
doen, voorkom dus ook traplopen, op banken en stoelen springen,
dit zijn slechte belastingen omdat het gehele gewicht op de
achterhand terecht komt. Let ook op overgewicht, teveel kilo's is
ook een belasting en kan problemen geven. Pas als de hond
uitgegroeid is en de bespiering goed ontwikkeld zijn kan de
belasting geleidelijk aan worden opgevoerd. Kijk wat er gebeurt en
als u de zaak niet vertrouwd raadpleeg dan uw dierenarts.
Oogafwijkingen
Ectropion
Ectropion is het naar buiten krullen van de wimperrand. Wanneer
het ooglid langs de neuskant is omgekruld, spreken we van mediaal
entropion. De hond traant en knijpt de oogleden meer toe daar het
niet goed sluit kan het oog drogen. De slijmvliezen zijn roder.
Het hoornvlies kan ontstoken geraken. Wanneer de aandoening een
tijdje bestaat, dan kunnen er bloedvaten, witte plekken (oedeem),
pigment en soms sekwestervorming aanwezig zijn in het hoornvlies.
Bij een lichte graad van extropion wordt vaak enkel wat
beschermende oogzalf voorgeschreven. In erge gevallen wordt de
hond geopereerd. Er wordt een stukje huid weggenomen dicht bij de
ooglidrand zodat die niet meer omkrult. Honden die met hun poot
beginnen wrijven aan het oog of met hun hoofd over de grond
wrijven, dragen best tijdelijk een kap na de ingreep. Als
na-behandeling wordt een antibioticumzalf 4X per dag gebruikt. De
draadjes worden na 10 tot 12 dagen verwijderd.
Dit is een afwijking waarbij een
ooglid (meestal het onderooglid) naar buiten draait.
Het komt bij veel rassen voor.
Entropion
Het naar binnen krullen van de rand van het ooglid noemt men
entropion.
Het kan hierbij gaan om het hele onderooglid of delen hiervan,
alleen om de binnenooghoek of om het bovenooglid. Iedere keer als
de hond knippert, raspen de haren op de rand van het naar
binnengekrulde ooglid over het hoornvlies. Dit veroorzaakt op den
duur beschadigingen en ontstekingen.
Een hond heeft veel last van entropion; dat is te merken aan het
heftige tranen van het oog, lichtschuwheid, het afscheiden van
slijm en pus, veel knipperen en het toeknijpen van de oogleden.
Uiteindelijk kan het hoornvlies helemaal ondoorzichtig worden. Ook
kan er een zeer pijnlijk hoornvlieszweer ontstaan; het doorbreken
hiervan leidt in de meeste gevallen tot blindheid of zelfs tot
verlies v.h. oog.
Bij voorkeur moet een hond aan entropion geopereerd worden als
zijn hoofd is uitgegroeid, maar bij pups moet soms eerder
ingegrepen worden om vergaande beschadiging van het hoornvlies te
voorkomen. De operatie is een precisie werkje en kan het beste
worden uitgevoerd door een ervaren chirurg. Als het entropion
minder ernstig is, kan het hoornvlies tot aan de operatie worden
beschermd met vitamine A-oogdruppels of oogzalf. Entropion is
vrijwel altijd een meervoudig overervende afwijking. Daarom zou er
met een lijder aan deze aandoening, evenals met zijn ouders en
zijn nestgenoten, niet (meer) gefokt moeten worden als de ruimte
op te selecteren dat toelaat. Door in de fokkerij te streven naar
een kleinere oogspleet, wordt de kans op entropion verhoogd.
Op de foto's hieronder kunt u de verschillende afwijkingen zien,
van links naar rechts: Ectropion, Entropion, Cataract, Cherry-eye.

Bron
Distichiasis/Ectopische Cilie
Dit is abnormale haargroei in de ooglidrand en op andere
plaatsen zoals in de bindvliezen. De haartjes kunnen door
constante irritatie beschadigingen van het hoornvlies geven. Het
komt voor bij meerdere rassen.
Cataract (niet-congenitaal)
Het gaat hierbij om jeugdstaar. In de lens zijn troebelingen
aanwezig. Het kunnen kleine troebele plekjes zijn die lange tijd
stabiel zijn en niet of nauwelijks een vermindering van het
gezichtsvermogen geven. Maar ze kunnen ook in ernstige mate
voorkomen en/of uitbreiden en daarbij blindheid van het aangetaste
oog veroorzaken. Cataract kan aan één oog voorkomen, of
beiderzijds. Het komt bij veel rassen voor. De term jeugdstaar is
wat misleidend. Bij veel rassen treedt het op in de eerste
levensjaren, maar het kan ook nog op latere leeftijd optreden. Het
onderscheid met het normale verouderingsproces van de lens (de
bekende blauwe waas bij oudere honden) is meestal goed te maken.
Derde ooglid en Cherry eye
Dit is het vlies dat zichtbaar is langs de neuskant van het oog.
De basis van het kraakbeen is omgeven door een traanklier, de
derde ooglidklier. In een normale positie is deze klier niet
zichtbaar, ze wordt door een soort bindweefsel op haar plaats
gehouden onderaan de oogbol. De uitpuilende klier is rood,
gezwollen en zichtbaar aan de vrije rand van het derde ooglid.
Omwille van de gelijkenis met een kriek spreekt men van een cherry
eye. Meestal is er wat meer slijmerige uitvloei aan dat oog. Na
het aanbrengen van een lokaal anestheticum is het soms mogelijk om
de klier tijdelijk terug op zijn plaats te krijgen door met een
pincet aan de vrije boord van het derde ooglid te trekken.
Een andere
mogelijkheid is het wegnemen van een deel of de gehele klier.
Omdat de klier ook een rol speelt bij de traanproductie wordt dit
ten sterkste afgeraden, het beste is de klier volledig te sparen.
Dit gebeurt dan door ze chirurgisch vast te zetten hetzij tegen de
binnenkant van de oogkas, aan een extraoculaire spier of aan de
sclera (d.i. het witte omhulsel van de oogbol). Een andere ingreep
omvat het terug weghechten van de klier onder het slijmvlies van
het derde ooglid (techniek van Morgan). Cherry eye kan verward
worden met een eversio van het kraakbeen van het derde ooglid, in
dat laatste geval is de vrije rand van het derde ooglid naar
buiten omgeklapt. Er is dan echter geen klier zichtbaar. De
behandeling bestaat uit het chirurgisch verwijderen van het
omgekrulde stukje kraakbeen doorheen een klein sneetje in het
overliggende slijmvlies. Tot slot moet nog vermeld worden dat de
derde ooglidklier ook tumorale veranderingen kan ondergaan en
daardoor vergroot en gaat uitpuilen. Deze tumor mag men niet
verwarren met een cherry eye.